|
Louise Labé, Dix-neuvième Sonnet Sonnets, Élégies, Épitres... baptiste.coulmont@nyu.edu |
|
|
français
néerlandais
|
||
Diane étant en l'épaisseur d'un bois, Après avoir mainte bête assénée, Prenait le frais, de Nymphe couronnée. J'allais rêvant, comme fais mainte fois, Sans y penser, quand j'ouïs une vois Qui m'appela, disant : Nymphe étonnée, Que ne t'es-tu vers diane tournée ? Et, me voyant sans arc et sans carquois : Qu'as-tu trouvé, Ô compagne en ta voie, Qui de ton arc et flêches ait fait proie ? - Je m'animai, réponds-je, à un passant, Et lui jetai en vain toute mes flêches Et l'arc aprés ; mais lui les ramassant Et les tirant, me fit cent en cent brêches. |
Diana nam diep in een bospartij, Waarin ze tal van wilde dieren velde, Rust met de Nimfen die haar vergezelden. Ik liep zoals zo vaak in dromerij Verzonken, toen opeens van heel nabij Een stem me riep: Hoe komt het toch, ontstelde Nimf, dat je niet weer naar Diana snelde? En toen ze boog noch koker zag bij mij: Wie ben jij, gezellin, tegengekomen Die jou je boog en pijlen heeft ontnomen? Ik plaagde, zei ik haar, een wandelaar, Op wie ik tevergeefs mijn pijlen richtte En toen mijn boog. Hij nam ze bij elkaar En wondde keer op keer me met die schichten. Traduit par Paul Claes |
|
| Ecole normale supérieure | ||